Rouwen om wat er nooit was
Toen mijn vader plotseling overleed huilde ik niet. Geschokt voelde ik me wel, omdat hij er opeens niet meer was. Ook in de periode erna kwamen er geen tranen om zijn verlies.
Toch geloofde ik dat ik van hem hield. Hij was iemand aan wie ik kon vragen hoe de wereld in elkaar zat. Ook over zaken die ik geacht werd te weten, maar niet wist. Hij nam mijn vragen serieus en beantwoorde ze, zodat ik me niet hoefde te schamen voor mijn gebrek aan kennis.
Mijn vader was zacht en streng. Streng als het ging om regels die voor hem vaststonden, zoals de regels van zijn kerk. Ook vond hij dat kinderen hun ouders moesten gehoorzamen, zonder tegenspraak of twijfel.
Zacht was hij doordat hij tijd voor me maakte. Door samen te zitten, hij op de bank in de huiskamer, ik tegenover hem in de fauteuil, zodat we konden praten. Of door samen een documentaire te kijken op tv, over bijvoorbeeld het melkwegstelsel of een theorie van Albert Einstein over de afbuiging van licht in het heelal.
Ik was verbaasd dat ik niet huilde.
Toen mijn moeder acht jaar later overleed huilde ik juist wel. Een heel jaar lang was ik in de rouw, terwijl ik ervan overtuigd was dat ik niet van haar hield. En zij niet van mij.
Het verschil tussen die twee verliezen bleef me bezighouden.
Mijn leven lang was ik bang geweest voor de dag dat zij zou sterven, omdat ik er zeker van was dat ik zou achterblijven met een oneindig schuldgevoel. Omdat ik haar leven had verpest. Omdat ik niet de dochter was geweest die zij gewild had. Een dochter die altijd klaarstond, feilloos aanvoelde wat zij nodig had en haar zou redden van schaamte omdat ze de buitenwereld geen perfect gezin kon laten zien.
Toen zag ik nog niet hoe scheef haar verwachtingen van mij waren geweest. Ik was vierendertig toen ze overleed. Ook tijdens de rouw zag ik dat nog niet.
Mijn moeder wekte vaak mijn woede op. We kregen altijd ruzie. Als ik haar zag wees ze me op wat ik fout deed en had ze kritiek op mij. Ik probeerde er met haar over te praten en vrede te sluiten, maar telkens legde ze de schuld van onze ruzies bij mij.
Had mijn moeder ook iets goeds of aardigs te bieden? Ik heb daar veel over nagedacht. Ik kon nooit iets bedenken, behalve dat ze me leerde haken, breien en naaien. Ze was altijd bereid me te helpen als ik vastliep. Dan had ze engelengeduld.
Nog steeds ben ik daar blij om, want ik haak nog altijd graag en goed.
Ik denk dat ik rouwde om wat ik van mijn moeder had gemist: liefde.
Mijn levensles was om mezelf die liefde te geven.
