Bang voor de zuster

Mijn sloffen waren weg. Normaal stonden ze onder de kapstok, onder de haak waar mijn jas moest hangen. De sloffen die er wel stonden waren niet van mij. Dat zag ik meteen, hoewel ze allemaal op elkaar leken. Mijn linker slof had een klein rafelrandje aan de zijkant. De andere een donkere vlek bij de hiel. Dit paar had dat niet. Toch stopte ik mijn voeten erin. Te klein. Ik deed ze meteen weer uit.

Alle kinderen op de kleuterschool hadden eigen leren sloffen. Als we ’s morgens de school binnenkwamen stonden ze in een rij naast elkaar onder de kapstok. Het was de bedoeling dat we onze schoenen wisselden voor de sloffen.

Ik liep het rijtje langs om te kijken of mijn sloffen misschien ergens anders stonden. Ik keek naar de voeten van mijn klasgenoten, of iemand per ongeluk mijn sloffen droeg.

Ze waren weg. Ook de volgende dag nog. En een week later nog steeds.

‘Je moet het tegen zuster Johanna zeggen,’ zei mijn vriendinnetje toen ik het haar vertelde.

Mijn buik trok samen van schrik en ik schudde van nee.

Zuster Johanna was de juf van onze klas, maar we zeiden zuster tegen haar, want ze was een non. Tot mijn opluchting had ze nog niet door dat ik geen sloffen droeg. Ik wist dat ik haar nooit zou vertellen dat ze zoek waren.

‘Jawel. Je moet het gewoon tegen haar zeggen. Misschien krijg je nieuwe,’ zei mijn vriendinnetje.

Paniek trok vanuit mijn buik omhoog. Ik perste mijn lippen op elkaar en keek naar de stoeptegels op het schoolplein. Ik weet nog precies waar we stonden, halverwege tussen de poort naar de straat en de ingang van het gebouw.

‘Wat is er? Waarom zeg je niks?’

Langzaam schudde ik weer nee.

‘Durf je niet?’

Bewegingloos en verstijfd bleef ik naar de stoeptegels kijken.

‘Zal ik meegaan?’

Nee, schudde ik weer.

‘Ik wil wel mee hoor. Ik durf wel.’

Mijn hoofd begon harder heen en weer te schudden, met grote slagen. Mijn vriendin gaf het op.

‘Dan niet,’ zei ze.

Dit voorval op het schoolplein herinner ik me nog heel goed. Ik zal vier of vijf jaar zijn geweest. Ik weet nog dat ik niet begreep waarom ik het niet durfde te vertellen. Waarom was ik zo vreselijk bang?

Want de zuster was lief. Al zou ik het toen niet zo genoemd hebben. Ik dacht niet in lief over grote mensen. Lief was een woord voor mijn pop of voor de poes. Niet voor de zuster. Maar ze was vriendelijk, geduldig en behulpzaam. En ze werd nooit kwaad.

Terugkijkend denk ik mijn angst voor zuster Johanna te begrijpen. Die moet via mijn moeder zijn gekomen. Want mijn moeder had een manier waardoor ze kon zorgen dat ik alles deed wat zij wilde. Dat ging ongeveer zo.

Stel, we zaten met het gezin aan tafel, mijn vader, moeder, mijn twee zusjes en ik.

‘Ik lust geen spinazie,’ zei ik toen mijn moeder mijn bord vol wilde scheppen.

Mijn moeder zuchtte.

‘Hoef ik het niet op te eten?’

‘Jawel. Je moet het eten, want het is gezond.’

‘Maar ik lust het niet.’

‘Eet het toch maar op.’

‘Nee. Ik lust het niet.’

‘Proef het maar. Je vindt het vast lekker.’

‘Nee.’

‘Neem nou een hapje.’

Ik schepte een klein beetje op mijn vork, schoof het mijn mond in en spuugde het meteen weer uit. ‘Bah.’

‘Kom op. Je hebt niet echt geproefd. Eet het nou op.’

‘Nee.’

‘Je moet.’ Ze duwde tegen mijn hand.

‘Nee.’

‘Je eet het op!’ Nu schreeuwde ze. ‘Als je het niet opeet zeg ik het morgen tegen zuster Johanna hoor. Dan wordt ze héél boos.’

Ik hield mijn adem in. Ik werd bang voor zuster Johanna en ik schaamde me omdat ze zou horen dat ik een slecht kind was. Dat moest ik zien te voorkomen. Zonder te proeven at ik snel mijn bordje leeg.

Het bleef niet bij dit voorval.

Als jij deze jurk niet aan wil, als je je speelgoed niet meteen opruimt, als je niet lief doet tegen je zusje, als je zo loopt te janken, als je zo vervelend blijft, dan zeg ik het tegen de zuster, tegen de buren, tegen de familie, tegen de moeder van je vriendin en dan worden ze allemaal heel boos op jou.

Ik werd een stil en verlegen kind dat geen volwassene meer vertrouwde, ook al deden ze allemaal vriendelijk. Want wie wist wat over mij? Aan wie had mijn moeder verteld hoe naar en slecht ik was? Dan hadden ze alle reden om boos op me te worden. Toch?

Mijn sloffen vond ik nooit meer terug. Zuster Johanna maakte er geen punt van. Maar nieuwe sloffen kreeg ik ook niet.